Recensie: De machinemens

Recensie: De machinemens

De machinemens

Om de werking van het lichaam te begrijpen hebben wetenschappers door de eeuwen heen de mens vergeleken met een machine. Descartes bijvoorbeeld betoogde dat het lichaam van een levend mens evenveel verschilt van dat van een dode als een opgewon- den uurwerk van een kapot uurwerk. Fascinatie voor deze ‘verdingelijking van de mens’ (p. 9) bracht filosoof Nel van den Haak ertoe een studie te wijden aan het fenomeen van machinemetaforen in de medische wetenschap. Van den Haak heeft eerder onderzoek gedaan naar de rol en werking van metaforen in de filosofie, waarbij ze niet slechts retorisch ingezet kunnen worden, maar als heuristisch instrument kunnen dienen (Metafoor en filosofie (Budel 1999)). In haar nieuwe studie laat ze zien hoe ook de machinemens geen onschuldige metafoor was, maar verstrekkende gevolgen heeft gehad voor het mensbeeld in de geneeskunde.

Het boek begint met een beschrijving van de ontwikkeling van de machinemens in de vroegmoderne tijd. Dit eerste gedeelte (hoofdstuk 2 tot en met 7) behandelt onder andere Vesalius en de opkomst van de anatomie, waarbij kennis over de bouw van de mens werd verkregen door het levende lichaam te reduceren tot dode materie. In deze paradoxale situatie werden betekenissen van de machine overgedragen naar de mens: een mechanische structuur, automatisme en mathematische voorspelbaarheid.

Ook in de fysiologie en geneeskunde fungeerde de metafoor als kapstok om velerlei waarnemingen aan op te hangen. Beelden van de mens als uurwerk (bij Descartes) of complexe mechaniek (bij Boerhaave) maakten het lichaam inzichtelijk en objectief te benaderen. Ziektes konden worden verklaard als storingen in het samenspel van vaste en vloeibare delen in het lichaam. Naast Descartes en Boerhaave werkt Van den Haak ook de ideeën van andere denkers als La Mettrie, Freud en Helmuth Plessner uit en toont zo de verscheidenheid van gedaantes van de machinemens, bijvoorbeeld de mens als stoommachine.

Het tweede, meer analytische deel van het boek (hoofdstuk 8 tot en met 10) behandelt vraagstukken als de relatie tussen lichaam en geest en de aard van de wetenschappelijke methode. Moet men in de medische wetenschap mathematisch en rationalistisch te werk gaan of juist observatie en experiment volgen? Van den Haak gebruikt de vroegmoderne discussie over deductie en inductie om te reflecteren op de status van evidence-based medicine vandaag. Als we het lichaam tot machine verklaren, is er dan nog plaats voor de ziel? Zoals Van den Haak opmerkt, herleiden zowel de achttiende-eeuwse materialist La Mettrie als de huidige neurowetenschap onze cognitieve vermogens tot lichamelijke verschijnselen. Dit stoffelijk monisme heeft verregaande consequenties voor filosofische en ethische kwesties als morele aansprakelijkheid en de vrije wil. Van de Haak snijdt hiermee zeer boeiende onderwerpen aan, maar laat bij elk weer de ideeën van Descartes, Boerhaave, La Mettrie, Freud en Plessner de revue passeren. De structuur is helder, maar een gevoel van herhaling dringt zich op. 

Daarnaast zou het een mooie aanvulling zijn geweest als Van den Haak ook aandacht had besteed aan concurrerende inzichten. In de achttiende en negentiende eeuw gingen ook vele medici uit van een essentieel verschil tussen het organisme en de anorganische natuur. Men sprak van vitale krachten die niet tot natuurwetten waren te reduceren. In dit debat tussen mechanisten en vitalisten werd uitvoerig onderzoek gedaan naar het levende lichaam door waarneming van de hartslag, chemische analyse van lichaamssap- pen en vivisectie. Van den Haak beweert dat bij Herman Boerhaave ‘het menselijk lichaam een machine’ was (p. 80) en dat hij ‘nadrukkelijk voorbij[ging] aan vitalistische beginselen’ (p. 229). Echter, ze vermeldt ook dat zijn scheikunde van planten en dieren ‘uiteindelijk ook [was] gebaseerd op niet-mechanistische principes’ (p. 85) en dat hij uitging ‘van een spiritualis animalis, een levensgeest, die niet mechanistisch was’ (p. 199). Zelfs de meest geestdriftige mechanisten waren er dus van overtuigd dat fysiologische processen niet enkel in termen van materie en beweging konden worden verklaard en dat ze dus te maken hadden met een bezield lichaam. Wat voor consequenties had deze discussie voor de machinemetafoor?

Los van deze historische vraag draagt Van den Haak met De machinemens bij aan de hedendaagse discussie over de maakbaarheid van de mens. Het is een goede aanzet voor filosofen en medici om na te denken over de rol van metaforen in de geneeskundige wetenschap en praktijk.

 

Nel van den Haak, De machinemens: de machinemetafoor in de geneeskunde en in het denken over ziekte en gezondheid (Delft: Eburon 2013). 258 pp. ISBN 9789059727359. € 29,90 (paperback). 

Bron: Studium 7 (2014): 113–114.

Tags